-
Advocatuur
-
Ambtenarenrecht algemeen
-
Arbeidsinspectie
-
Arbeidsomstandigheden
-
Arbeidsongeschiktheid
-
Arbeidsovereenkomsten
-
Arbeidsrecht algemeen
-
Arbeidstijdenwet
-
Bedrijfseconomisch ontslag
-
Buitenlandse werknemers
-
CAO’s
-
Columns
-
Concurrentiebeding
-
Disfunctioneren
-
Faillissement
-
Gelijke behandeling
-
Het Nieuwe Werken
-
In de Media
-
Internationaal arbeidsrecht
-
Juridisch Algemeen
-
Kantonrechtersformule
-
Kennelijk onredelijk ontslag
-
Leaseauto
-
Loon
-
Loonvorderingen
-
Maatschappelijke betrokkenheid
-
Medezeggenschapsrecht
-
Mediation in arbeidsrecht
-
Meer of minder werken
-
Onkostenvergoeding
-
Ontbindingsprocedure
-
Ontslag
-
Ontslag met wederzijds goedvinden
-
Ontslag op staande voet
-
Ontslag statutair directeur
-
Ontslag tijdens ziekte
-
Ontslagvergoeding
-
Opinie
-
Oproepkrachten
-
Opzegtermijnen
-
OR vraagstukken
-
Over ons kantoor
-
Overgang van onderneming
-
Pensioen
-
Rechtspraak
-
Relatiebeding
-
Reorganisatie
-
Schorsing / Non actiefstelling
-
Second Opinion
-
Social media
-
Staken
-
Studiekosten
-
Tijdelijke arbeidsovereenkomsten
-
Uitzendovereenkomst
-
UWV Werkbedrijf
-
Vakantie en verlof
-
Vakantiewerk
-
Vaststellingsovereenkomst
-
Verlofregelingen
-
verplichtingen van de werkgever
-
verplichtingen van de werknemer
-
Verstoorde arbeidsrelatie
-
Vrijheid van meningsuiting
-
Video's
-
Wedertewerkstelling
-
Werkkostenregeling
-
Wetsvoorstellen
-
Wijzigen arbeidsvoorwaarden
-
WW
-
Ziekte en reintegratie
-
Zwangerschap
-
Zzp'er
“Uitlatingen werknemer via social media in beginsel privé”
- Details
- Aangemaakt op donderdag, 09 februari 2012 14:39
“Conversaties via social media moeten in beginsel worden beschouwd als privé en vallen dus onder het grondrecht van vrijheid van meningsuiting,” aldus de voorzieningenrechter te Maastricht in een uitspraak over een voorlopige voorziening op 8 februari 2012. Dat zou alleen anders kunnen zijn wanneer daaruit duidelijk een zakelijk karakter blijkt.
door Mariska Aantjes
In deze zaak ging het om een dansleraar die na 5 jaar ontslag nam en een eigen dansstudio opende. De dansschool vordert als ex-werkgever nakoming van het overeengekomen relatie- en concurrentiebeding. Dat betekent dat de dansleraar geen les mag geven in de gemeente waarvoor het concurrentiebeding geldt en dat de dansleraar geen contact mag onderhouden met (voormalige leden) en leerlingen van de dansschool.
Met name dat wat de voorzieningenrechter oordeelt ten aanzien van het relatiebeding is interessant. Dat relatiebeding luidde als volgt: “Gedurende het dienstverband alsmede na beëindiging van het dienstverband zal de werknemer zich voor een periode van 1 (één) jaar er strikt van onthouden om relaties, leden, leerlingen en/of opdrachtgevers van de werkgever – direct of indirect – te benaderen en of met hen – op welke wijze dan ook – zaken te doen en/of contacten te onderhouden.”
De dansschool heeft uitgeprinte pagina’s afkomstig van Facebook, Hyves en Twitter aan de rechter getoond. Uit de Facebookpagina, de twitterpagina en de website van de dansleraar blijkt dat hij sinds het ontslag relaties, leerlingen, leden en/of opdrachtgevers van de dansschool als vrienden heeft toegevoegd en/of gesprekken daarmee voert of heeft gevoerd. De dansschool heeft dit aangetoond door een ledenlijst te tonen. Volgens de dansschool blijkt uit een vergelijking van zijn ledenlijst met de toegevoegde vrienden van de sociale media van de dansleraar dat een groot aantal van die vrienden lid is of is geweest van de dansschool.
De rechter oordeelt dat de dansleraar weliswaar contacten onderhoudt met de op die pagina’s vermeldde personen, maar niet dat hij die personen actief benaderd heeft. De voorzieningenrechter overweegt daarbij dat conversaties via “social media” zoals Hyves, Twitter, Facebook, WhatsApp etcetera in beginsel beschouwd moeten worden als geschiedende in privésfeer van de betrokkenen - en dus vallende onder het grondrecht van vrije meningsuiting - tenzij daaruit duidelijk en ondubbelzinnig voor eenieder een zakelijk karakter blijkt. In dit geval zou de dansleraar bijvoorbeeld zijn contacten op die media (friends/vrienden) expliciet moeten vragen om over te stappen naar zijn dansschool.
Opvallend aan deze uitspraak is dat de voorzieningenrechter in Maastricht onderscheid maakt tussen privé en zakelijke contacten en vindt dat het hebben van een contact via social media alleen niet leidt tot schending van het relatiebeding. Dat is opmerkelijk, want volgens het relatiebeding mocht de dansleraar op geen enkele manier contact onderhouden met de leerlingen; dus ook niet privé. Zou de voorzieningenrechter in Maastricht zich misschien hebben laten inspireren door de Raad voor de Journalistiek die op 23 juli 2010 oordeelde dat een twitterbericht van journalist Bas Paternotte persoonlijk was?
Door andere voorzieningenrechters waarin connecties via social media een rol speelde, werd het enkel hebben van een contact via LinkedIn met een relatie van de ex-werkgever wel als overtreding van het relatiebeding aangemerkt. Deze voorzieningenrechter vindt dat niet voldoende; hij vindt dat het relatiebeding te breed is geformuleerd en dat het erom gaat of de leerlingen actief werden benaderd door de dansleraar. Er is zeker iets te zeggen voor deze nuancering. Echter, nu de verschillende voorzieningenrechters het niet geheel eens met elkaar lijken te zijn, hoop ik dat er snel een arrest van een van de Gerechtshoven volgt.