Ontslag op staande voet voor Zeeuwse schaapherder onrechtmatig

Een Zeeuwse schaapherder neemt een kudde schapen mee om een afscheidsronde te maken door het dorp. Zijn werkgever ontslaat hem op staande voet en doet aangifte wegens diefstal. Wat oordeelt de kantonrechter in Middelburg op 9 januari 2012?

 

Een schaapherder in Zeeland onderhandelt in september 2010 over een ontslagregeling na een arbeidsconflict met zijn werkgever, een stichting. Omdat ze er bijna uit zijn, heeft de schaapherder op 3 oktober 2010 een bijzonder afscheid georganiseerd. Hij heeft zich daarbij net als een door hem ingehuurde doedelzakspeler in traditionele Schotse kilt gestoken, en de schaapkudde van 250 schapen uit een weide gehaald. Samen met de doedelzakspeler en de kudde heeft de schaapherder een ronde door het dorp gemaakt en daarbij veel mensen de hand geschud en afscheid genomen. Daarna is de schaapherder met de kudde teruggekeerd naar de wei waar deze was opgehaald.

 

De schaapherder is twee dagen later op staande voet ontslagen omdat hij de kudde zonder toestemming van de stichting heeft verplaatst en niet inging op het verzoek van een bestuurslid om de schapen naar de wei terug te brengen. De stichting heeft ook aangifte van diefstal gedaan bij de politie. De stichting heft geen eindafrekening opgesteld en geen achterstallig vakantiegeld en vakantiedagen betaald.

 

Met de schaapherder is de kantonrechter van oordeel dat dit geen ontslag op staande voet rechtvaardigt. Het was zeker dat partijen afscheid van elkaar gingen nemen en de onderhandelingen daarover waren in een zodanig stadium, dat de schaapherder kon en mocht menen dat er op korte termijn een einde zou komen aan zijn dienstverband. Hij dacht zo op een vrolijke en bijzondere wijze afscheid te nemen van zijn kudde en het dorp. De herder heeft zich tijdens zijn feestelijke afscheidsronde niet negatief heeft uitgelaten over de stichting of de reputatie van de stichting geschaad. Integendeel, de afscheidsronde met de kudde is destijds in het dorp positief ontvangen. Dat is ook voor de stichting positieve publiciteit.

 

Het bestuurslid dat op zoek ging naar de kudde moet, toen hij de schaapherder en de doedelzakspeler aantrof met de kudde, hebben begrepen dat de herder bezig was met een feestelijke afscheidsronde met de kudde. Het bestuurslid heeft daar dus een einde aan willen maken.

 

De kantonrechter toont in zijn oordeel aan dat hij zich goed heeft ingeleefd en is niet bang emoties te benoemen. Hij begrijpt dat het bestuur van de stichting zich door deze handelwijze van de schaapherder geschoffeerd heeft gevoeld. Hij noemt het gedrag van de schaapherder zelfs 'onbehouwen'. Maar de kantonrechter vindt ook dat het bestuur door haar ongenoegen niet heeft kunnen zien wat de schaapherder daadwerkelijk deed: een vrolijk en feestelijk afscheid van de kudde en het dorp, waarmee hij zich verbonden voelde.

 

De stichting ziet hierin een zegetocht van de schaapherder, waarmee hij bewust een publieke confrontatie zou hebben opgezocht met het bestuur en een lange neus naar de stichting heeft willen maken. Luid en duidelijk moest het publiek vernemen dat hij had gezegevierd.

 

De kantonrechter maakt korte metten met de zienswijze van de stichting, die alleen op veronderstellingen is gebaseerd. Deze blijkt niet uit de feiten. De schaapherder had niet gezegevierd, want zijn dienstverband zou worden beëindigd. Tijdens zijn afscheidsronde heeft de schaapherder zich niet negatief over de stichting uitgelaten en evenmin de reputatie van de stichting benadeeld. De stichting had de goede ontvangst in het dorp moeten opvatten als positieve publiciteit voor de kudde en de stichting.

 

Ná de afscheidsronde met de kudde heeft de stichting zelf negatieve publiciteit veroorzaakt door haar aangifte van diefstal tegen haar werknemer. Deze aangifte vond de kantonrechter geen redelijke reactie op het voorval. Het moet voor de stichting duidelijk zijn geweest dat de schaapherder de kudde nooit heeft willen stelen. De negatieve publiciteit na het ontslag en eventuele imagoschade daarvan voor de stichting komen niet voor rekening van de werknemer.

 

Wat overblijft is dat de schaapherder welbewust zonder toestemming te vragen aan de stichting de kudde heeft meegenomen voor een afscheidsronde en een herhaald verzoek om de kudde terug te brengen heeft genegeerd. Dat was onrechtmatig, maar levert geen dringende reden op voor ontslag. De stichting werd door de afscheidsronde met de kudde namelijk niet benadeeld, integendeel, en het ontslag had nadelige financiële gevolgen voor de schaapherder.

 

De stichting wordt veroordeeld om de gevorderde schadevergoeding aan haar werknemer te betalen en om alsnog het vakantiegeld en de vakantiedagen te betalen, vermeerderd met de maximale wettelijke verhoging van 50%.