Discriminatie bij sollicitaties

Op 7 januari 2010 heeft de Commissie Gelijke Behandeling geoordeeld over een kwestie waarbij een werkgever een sollicitant had afgewezen omdat zij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was.


De werkneemster is sinds april 2000 bij de werkgever, een middelgrote financiële dienstverlener, in dienst. Eerst in een administratieve functie op de Contractadministratie en na een functiewijziging per augustus op de afdeling Algemene zaken. In januari 2009 werd de werkneemster medegedeeld dat in verband met een reorganisatie haar functie zal komen te vervallen en de werkgever bij het UWV WERKbedrijf om toestemming zal verzoeken de arbeidsovereenkomst te mogen beëindigen.


De werkneemster solliciteert in februari 2009 intern op de functie van receptioniste/telefoniste. De werkgever wijst de sollicitant af, omdat zij "qua gesproken woord en schriftelijke vaardigheden van de Nederlandse taal niet aan de gewenste functie-eisen voldoet". De werkgever gaf daarbij aan dat zij het de sollicitant "als geboren USA-citizen" haar gebrekkige Nederlands niet kwalijk nam.


De Commissie beoordeelt vervolgens de vraag of de werkgever bij de afwijzing van de sollicitant direct dan wel indirect onderscheid naar ras heeft gemaakt en of dit al dan niet gerechtvaardigd was.

De Commissie stelt vast dat de werkgever de sollicitant heeft afgewezen omdat zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig zou zijn gezien haar Amerikaanse afkomst. Ondanks dat de werkgever verwijst naar de afkomst van de sollicitant is de Commissie van oordeel dat rechtstreeks verband bestaat tussen de afwijzing en haar ras. De verwijzing naar de afkomst van de sollicitant heeft op generlei wijze een negatieve lading.


Het stellen van een taaleis, kan evenwel leiden tot indirect onderscheid op grond van afkomst. Immers, deze eis zal in verhouding meer personen van niet-Nederlandse afkomst raken, dan personen van Nederlandse afkomst. In deze kwestie heeft de werkgever dan ook een indirect onderscheid gemaakt. Dit is evenwel toegestaan als daar objectief gerechtvaardigde belangen voor bestaan. De Commissie oordeelt dat ten aanzien van de functie receptioniste/telefoniste een objectieve rechtvaardiging bestaat voor het stellen van een taaleis. De werkgever heeft dan ook geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt.


Bij een andere procedure werd een sollicitant die naar de functie van hoor- en beslismedewerker bij de IND echter afgewezen omdat hij een baard droeg om religieuze redenen. De IND acht dit ongewenst omdat zij ernaar streeft een zo veilig mogelijke omgeving voor de asielzoekers te creëren. Dat betekent dat de omgeving waar de asielzoekers in gehoord worden, zo neutraal mogelijk dient te zijn. De IND wil dan ook niet dat er politieke of religieuze uitingen zichtbaar zijn.


In deze zaak is het oordeel van de Commissie dat de IND – en daarmee de Staatssecretaris van Justitie die verantwoordelijk is voor de IND – direct onderscheid op grond van godsdienst. In tegenstelling tot de hierboven eerder besproken kwestie, is de Commissie van oordeel dat er in dit geval geen wettelijke uitzondering is gesteld of gebleken. Bovendien beoordeelt de IND de noodzakelijke neutrale omgeving aan de uiterlijke kenmerken van de sollicitant en heeft niet onderzocht wat voor een asielzoeker mogelijk als intimiderend kan worden ervaren. Dit maakt dat IND een ondoorzichtig en oncontroleerbaar het criterium hanteert. De Commissie oordeelt dan ook dat de IND verboden onderscheid heeft.